Deze website maakt gebruik van cookies om het bezoek aan de website te analyseren en het gebruiksgemak te verhogen. U kan meer lezen over cookies in onze Privacy verklaring.

Belux

Kleine strongyliden of Cyathostominae of kleine (of rode) bloedworm 

De kleine strongyliden (kleine of rode bloedworm) zijn op dit moment de meest voorkomende wormsoort bij paarden en zijn verantwoordelijk voor de meeste wormeieren in mest en de meeste larven in het weiland. De levenscyclus van Cyathostoma duurt minstens 6 weken en kan tot 2 jaar duren. Ze zijn dun, maximaal 2,5 cm lang en roodachtig van kleur.
Infectieuze L3-larven worden door het paard met het weidegras opgenomen; de larven migreren vervolgens door het darmkanaal naar de dikke darm, waar ze zich in de darmwand inkapselen. Ze kunnen snel in het L4-stadium overgaan en naar het darmlumen migreren, waar ze volwassen worden. Tot zo'n 85% van de ingekapselde larven kan echter overgaan in een rusttoestand of hypobiose, de zogenaamde geïnhibeerde L3 (EL3). Er kunnen zich tienduizenden van deze ingekapselde larven in de darmwand bevinden, waar ze de absorptie van voedingsstoffen belemmeren, wat kan leiden tot gewichtsverlies en levensbedreigende ziekte. Deze geïnhibeerde ingekapselde larven kunnen massaal vrijkomen zonder dat daar bepaalde verschijnselen aan vooraf zijn gegaan. Dit massaal vrijkomen van larven, dat voor het dier fataal kan verlopen, doet zich met name laat in de winter en vroeg in het voorjaar voor en wordt wel wintercyathostominose genoemd. In ernstige gevallen kan de sterfte 50–60% bedragen. Jonge paarden (onder de 6 jaar) lopen vaak een groter risico, maar in principe kunnen kleine strongyliden levensbedreigend zijn in elke tijd van het jaar en bij paarden van elke leeftijd.

Alles uitvouwen
    • Diarree.
    • Snel en ernstig gewichtsverlies.
    • Koliek en zelfs sterfte.
  • Hoewel volwassen wormen soms in de feces worden aangetroffen, is specifiek diagnostisch onderzoek nodig om de mate van wormbelasting vast te stellen. Telling van het aantal eieren per gram mest (EPG) kan nuttig zijn om een idee te hebben over het aantal volwassen wormen in de darm. Dit zegt echter niets over het aantal ingekapselde larven. Momenteel zijn er nog geen 100% betrouwbare diagnostische tests om ingekapselde Cyathostomina-larven vast te stellen omdat dat (larvaal) stadium geen eitjes produceert. Bloedtesten kunnen een aanwijzing zijn. Deze worm moet daarom worden bestreden met anthelmintica die speciaal deze larvale stadia aanpakken.

  • Het is aangeraden paarden te behandelen met een modern wormmiddel, dat ook het aantal geïnhibeerde, ingekapselde larven (EL3) vermindert.

    • In het kader van de preventie moet tijdens het weideseizoen regelmatig bestrijding van rondwormen plaatsvinden. Bij zachte, natte winters lopen paarden echter het risico dat ze laat in het jaar infectieuze larven opnemen. Daarom moeten kleine strongyliden het hele jaar door worden bestreden. Tegenwoordig zijn kleine strongyliden of kleine/rode bloedwormen de bij paarden meest voorkomende en meest schadelijke parasieten. Na opname tijdens het grazen, kunnen de larven levensbedreigend zijn doordat ze de darmwand penetreren en zich daarin ophopen.
    • Preventie moet ook gericht zijn tegen ingekapselde larven van kleine strongyliden. Als ze niet worden bestreden kunnen ze in de late winter of vroege voorjaar massaal uit de darmwand vrijkomen. Ten minste in november en februari moet een behandeling tegen deze wormen plaatsvinden.
    • Weidemanagement:
      • Verwijder de mest regelmatig uit de weide waar uw paard loopt: in het weideseizoen minimaal tweemaal per week, van november tot en met maart eenmaal per week.
      • Zorg dat de weide niet overbezet is. In het ideale geval moeten er per hectare weiland niet meer dan 3 tot 5  paarden lopen.
      • Zorg, indien mogelijk, dat de weide ter afwisseling door runderen of schapen wordt begraasd.
      • Voorkom dat veulens samen met oudere paarden grazen. Deze laatste kunnen een belangrijke bron van besmetting zijn en moeten regelmatig worden ontwormd.
  • Wat is de belangrijkste parasiet bij paarden?
    De meest voorkomende parasieten bij paarden op dit moment zijn de kleine strongyliden (Cyathostominae). Ze kunnen diarree, snel en ernstig gewichtsverlies en een levensbedreigende koliek veroorzaken.

    Wanneer moet ik mijn paard ontwormen?
    Paarden moeten het hele jaar door regelmatig worden ontwormd om rondwormen te bestrijden. Op bepaalde momenten moet strategisch worden behandeld tegen lintwormen, platwormen en – het allerbelangrijkst – tegen de ingekapselde larven van kleine strongyliden.

    Mijn paard is zwaar besmet met wormen. Hoe moet ik hem behandelen?
    Als u bang bent dat uw paard ernstig besmet is, is het aan te raden om contact op te nemen met uw dierenarts om een behandeling te bepalen die specifiek op de situatie van uw paard is afgestemd. Een mogelijke strategie is het gebruik van een wormmiddel dat alleen volwassen wormen bestrijdt, zoals middelen die pyrantel bevatten. Deze behandeling kan dan 7–10 dagen later gevolgd worden door een behandeling met een middel met moxidectine, om de overgebleven larven te bestrijden. Het is best om in deze gevallen ook cortisone bij de hand te hebben. Tegen lintwormen moet eveneens worden behandeld indien nodig (praziquantel of pyrantel in dubbele dosis).

    Wat is het verschil tussen strategisch ontwormen en geregeld ontwormen?
    Een strategisch ontwormingsprogramma is gebaseerd op tellingen van het aantal eieren per gram mest (EPG) gedurende het hele jaar, met langere intervallen tussen de behandelingen door. Paarden die een dergelijk programma volgen, worden alleen behandeld als de eitelling boven een bepaald niveau komt (> 200 EPG). Deze strategische behandeling moet wel zorgvuldig worden uitgevoerd omdat het EPG geen nauwkeurige maat is voor de wormbesmetting, aangezien de larvestadia en de ingekapselde larven van de kleine strongyliden niet worden meegerekend. Bij regelmatig ontwormen, worden paarden het hele jaar door met bepaalde tussenpozen behandeld met anthelmintica. Daarbij worden de intervallen aangehouden, die door de fabrikant worden aanbevolen voor de behandeling tegen rondwormen, lintwormen en platwormen.

    Moet ik regelmatig wormmiddelen met een andere werkzame stof gebruiken om resistentie tegen te gaan?
    Er zijn een aantal factoren die invloed hebben op resistentieontwikkeling. Er wordt wel gezegd dat resistentie zich minder snel ontwikkelt: (1) als een groter percentage van de aanwezige parasieten bij de eerste toediening van een middel wordt gedood en (2) als minder frequent anthelmintica worden toegepast. Dit betekent dat het ideale anthelminticum een middel is dat zeer potent is, waartegen geen resistentie bestaat en dat in een zo gering mogelijke frequentie kan worden toegediend.

    Ook weidemanagement en tellingen van het aantal eieren per gram mest (EPG) kunnen een rol spelen bij het tegengaan van resistentie. Met het verwijderen van mest van de weide wordt ook de bron van herinfectie verwijderd, inclusief resistente wormen. Zo wordt de levenscyclus van de worm onderbroken. Het is mogelijk om met behulp van EPG-tellingen de toedieningsfrequentie van wormmiddelen te verlagen: behandel dieren alleen als ze eitjes produceren boven een bepaalde hoeveelheid. Het is echter wel belangrijk om te bedenken dat met het EPG geen indicatie wordt verkregen van de larvale besmetting omdat eitjes alleen geproduceerd worden door volwassen wormen. Het EPG zegt dus niets over het aantal ingekapselde larven dat zich in de darmen van uw paard bevindt.