Deze website maakt gebruik van cookies om het bezoek aan de website te analyseren en het gebruiksgemak te verhogen. U kan meer lezen over cookies in onze Privacy verklaring.

Belux

Paardeninfluenza of paardengriep 

Aandoeningen van de luchtwegen zijn bij paarden erg belangrijk omdat ze een directe, maar vaak ook grote indirecte invloed hebben op hun prestaties. Paardengriep is endemisch in alle paardenpopulaties. Uitbraken komen over de hele wereld voor (met uitzondering van Nieuw-Zeeland en IJsland) en ontwrichten de paardensportkalender in aanzienlijke mate. Paardensportevenementen, waarbij grote aantallen paarden bij elkaar komen, bevorderen de verspreiding van het influenzavirus, dat langs respiratoire weg wordt overgedragen. De ziekte is zeer besmettelijk en virusdeeltjes kunnen via de lucht, direct van paard op paard of van paard op paard of via besmette materialen en kleding worden overgedragen. In niet-gevaccineerde paardenpopulaties, waarvan de dieren nooit eerder met het virus in contact zijn geweest, raakt bijna 100% geïnfecteerd.


Het paardengriepvirus is een influenzavirus van het A type, met twee verschillende subtypen: equi-1 (H7N7) en equi-2 (H3N8). De virale infectie veroorzaakt een ontsteking van het slijmvlies van de luchtwegen en na een incubatietijd van ca. 1–5 dagen treden griepachtige verschijnselen op. De klinische verschijnselen als geheel kunnen het paard sterk afzwakken en houden ongeveer 10 dagen aan, de hoest soms langer. Net als bij de mens zijn paarden die genezen van influenza niet immuun: bij een volgende blootstelling slaat het virus weer aan.


Vaccinatie is een belangrijk defensiemechanisme tegen de aandoening en is een belangrijk onderdeel van bescherming tegen uitbraken van griep. Vaccinatie is ook een strikte vereiste voor paarden waarmee veel gereisd wordt, zoals paarden in de internationale sport.

Alles uitvouwen
    • Hoge koorts (39,4–41,1 °C).
    • Lusteloosheid.
    • Slecht presteren.
    • Gebrek aan eetlust.
    • Felle, droge hoest.
    • Snelle ademhaling.
    • Vergrote lymfeklieren van de onderkaak.
    • Oedeem aan de benen.
    • Neusuitvloeiing –van waterig tot geel-groen gekleurd.
    • Ooguitvloeiing.
    • Spierpijn.
  • De verschijnselen die bij paardeninfluenza optreden, doen zich ook voor bij andere ademhalingsziekten, zoals goedaardige droes, EHV-1 en -4 (rhinopneumonie), streptokokkeninfecties en bacteriële longontsteking. Zodra echter ernstige oorzaken van luchtweginfecties uitgesloten zijn, wordt op basis van de ziektegeschiedenis en de kenmerkende droge hoest bij niet-gevaccineerde paarden meestal de diagnose influenza gesteld. Omdat gevaccineerde paarden vaak maar zeer milde griepverschijnselen vertonen en erg weinig virus uitscheiden, moeten bij deze paarden voor een exacte diagnose neusswabs worden genomen om het virus te isoleren.

  • Het apart zetten van zieke paarden in een stofvrije, goed geventileerde stal met absolute stalrust is het belangrijkste onderdeel van de behandeling. Het voer moet eventueel smakelijker worden gemaakt zodat het beter wordt opgenomen, bijvoorbeeld door zachter voer te geven of vochtig gemaakt hooi van goede kwaliteit. Ontstekingsremmers kunnen worden toegediend om de koorts te bestrijden. Als zich een secundaire bacteriële infectie ontwikkelt (pneumonie), kunnen tevens antibiotica worden toegediend. Tot 2 weken na het verdwijnen van de griepverschijnselen, mag het paard zich niet zwaar inspannen.

  • Vaccinatie is een belangrijk middel in de preventie en vermindert de ernst van de verschijnselen. Paarden krijgen een serie primovaccinaties, gevolgd door een jaarlijkse boostervaccinatie. Factoren die de kans op blootstelling verhogen, zoals deelname aan internationale wedstrijden, kunnen het nodig maken de vaccinatie om de 6 maanden te herhalen, in plaats van om het jaar. Bij paarden die nieuw aan een populatie worden toegevoegd moet serologisch onderzoek worden uitgevoerd om te bepalen of ze een boostervaccinatie nodig hebben.

    Ook goed management en handhaving van een goede hygiëne zijn essentieel om de verspreiding van virusdeeltjes tegen te gaan. Regelmatig moeten hygiënische maatregelen, zoals het desinfecteren van transportmiddelen, emmers en andere materialen, worden uitgevoerd. Mensen die met paarden omgaan, moeten frequent hun handen wassen. Paarden die griepverschijnselen vertonen, moeten onmiddellijk worden geïsoleerd om de kans op verspreiding naar andere paarden zo klein mogelijk te houden.

  • Moeten paarden worden gevaccineerd in geval van een influenza-uitbraak?
    Het is altijd goed als vaccinatieprogramma's up-to-date worden gehouden, zodat de dieren beschermd zijn in geval van een plotselinge uitbraak van griep. Paarden kunnen worden gevaccineerd als zich een influenza-uitbraak in de buurt voordoet, mits de te vaccineren dieren niet ziek zijn. Het is namelijk nooit een goed idee om zieke dieren te vaccineren.

    Zullen de vaccins die nu op de markt zijn paarden beschermen tegen nieuwe of (licht) afwijkende stammen van het paardeninfluenzavirus?
    De OIE en de WHO brengen formele adviezen uit als de virusstammen in het vaccin moeten worden aangepast wegens het optreden van nieuwe of afwijkende influenzastammen. Bovendien is gebleken dat veel vaccins die nu op de markt zijn kruisbescherming bieden tegen nieuwere stammen van het virus, zoals 'South Africa/4/03' en 'Sydney/07', die verantwoordelijk zijn geweest voor verwoestende uitbraken van griep.