Deze website maakt gebruik van cookies om het bezoek aan de website te analyseren en het gebruiksgemak te verhogen. U kan meer lezen over cookies in onze Privacy verklaring.

Belux

Mycoplasma hyopneumoniae-infecties bij varkens 

Infecties met M. hyopneumoniae komen algemeen voor in alle varkensproducerende gebieden in de EU. Hoewel M. hyopneumoniae-vrije bedrijven in vele landen voorkomen, is de ziekte op de meeste productiebedrijven endemisch.

Alles uitvouwen
  • Mycoplasma hyopneumoniae is een primaire pathogeen van varkens wereldwijd. Stammen kunnen verschillen qua inherente virulentiekenmerken. De klinische expressie van de aandoening wordt ook beïnvloed door gastheerfactoren zoals verkregen immuniteit, stress, gelijktijdig optredende aandoeningen en managementfactoren zoals bezettingsdichtheid, luchtkwaliteit en bioveiligheidsmaatregelen. M. hyopneumoniae-infecties veroorzaken een verminderde trilhaaractiviteit en een verminderde functionaliteit van de bronchiën, wat een verminderde natuurlijke afweer in de bovenste luchtwegen en een verhoogde gevoeligheid voor secundaire infecties tot gevolg heeft. Het micro-organisme is een sleutelcomponent voor twee belangrijke ziektesyndromen die elk een negatieve invloed hebben op de varkenssector, namelijk enzoötische pneumonie (EP) en het Porcine Respiratory Disease Complex (PRDC).

    Enzoötische pneumonie (EP) komt algemeen voor en is een chronische aandoening, gekenmerkt door hoesten, groeivertraging en een slechtere voederconversie. Infecties met M. hyopneumoniae verzwakken de natuurlijke afweer, waardoor secundaire infecties met bacteriële ziekteverwekkers zoals Pasteurella multocida, Haemophilus parasuis, Actinobacillus pleuropneumoniae, Streptococcus suis en Bordetella bronchiseptica op kunnen treden, die tot klinische en subklinische ziekte kunnen leiden.

    Het Porcine Respiratory Disease Complex (PRDC) is een ernstiger manifestatie van deze aandoening, waarvan de prevalentie de laatste jaren is toegenomen. Het doet zich voor na gelijktijdig optredende infecties met het Porcine Circovirus Type 2 (PCV2), het Porcine Respiratory and Reproductive Syndrome Virus (PRRSV) en/of het varkensinfluenzavirus. De ernst van de klinische verschijnselen is groter dan bij EP en de mortaliteit kan aanzienlijk zijn.
    De impact van een M. hyopneumoniae-infectie kan daarom ernstig zijn, zowel in economische zin als in termen van dierenwelzijn. Als een M. hyopneumoniae-infectie zich eenmaal gevestigd heeft, kan deze lange tijd circuleren op besmette bedrijven, zelfs als er gevaccineerd wordt.
  • Het meest voorkomende klinische verschijnsel is een chronische, onproductieve hoest. Na experimentele infectie treedt dit na ongeveer 2 weken voor het eerst op, maar onder praktijkomstandigheden kan deze periode erg variëren. Op de foto zijn macroscopische laesies te zien.

    De paarse tot grijze, geconsolideerde longgebieden die in de apicale, cardiale, mediale en craniale delen van de diafragmatische lobben van beide longen worden aangetroffen, zijn typisch voor EP-laesies, hoewel zich bij andere infecties zoals influenza hetzelfde macroscopische beeld voor kan doen.

    Wanneer de laesies verdwijnen, blijven tussen de lobben littekens achter. Dit proces kan drie maanden na een zuivere besmetting met M. hyopneumoniae zijn afgerond. Uit de klinische verschijnselen en de laesies volgt een waarschijnlijkheidsdiagnose. Voor de definitieve diagnose is laboratoriumonderzoek noodzakelijk.

  • Aanwezigheid van M. hyopneumoniae
    Isolatie van het micro-organisme levert het definitieve bewijs, maar is ingewikkeld en niet geschikt voor een routinediagnose. Het meest gevoelige diagnostische hulpmiddel is momenteel de polymerasekettingreactie (PCR) op vloeistof verkregen via bronchoalveolaire lavage (BAL). Toch kan een PCR-test op neusswabs een goede indicatie geven van de mate waarin de populatie in verschillende stadia van de productie met de kiem in contact is geweest. Bovendien kunnen op grond van deze test controlestrategieën worden bepaald.

    Blootstelling van de populatie aan M. hyopneumoniae
    Op bedrijven waar niet wordt gevaccineerd is serologie bruikbaar op populatieniveau. Op bedrijven waar gevaccineerd wordt, moet dit onderzoek echter met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd, en rekening houden met het klinisch beeld en de gehanteerde vaccinatieprogramma's. Seroconversie na besmetting kan variëren, afhankelijk van de eigenschappen van de betreffende stam en eerdere vaccinaties.
    Door vaccinatie zal in de populatie een variabele seroconversie ontstaan, en vaccinatie van de zeugen zal resulteren in antistoftiters bij de biggen.
    Op EP gelijkende longlaesies in het slachthuis worden gewoonlijk gebruikt als een aanwijzing voor besmetting, maar zijn niet pathognomonisch en kunnen afwezig zijn indien het varken vroeg in zijn leven geïnfecteerd werd. Deze bevinding moet dus worden geïnterpreteerd in combinatie met andere diagnostische tests.

  • M. hyopneumoniae kan het best worden bestreden door een combinatie van managementmaatregelen, verbetering van de immuniteitsstatus van de populatie en een verminderde infectiedruk (preventie).
    Het uitroeien van de infectie door middel van vaccinatie alleen, is tot op heden onmogelijk gebleken. Uitroeiingsschema's blijken kostbaar, met een grote kans op herinfectie.

  • Managementmaatregelen
    Hanteer het all-in, all-out principe om de overdracht van ziekteverwekkers tussen de verschillende leeftijdsgroepen te onderbreken (mengen en sorteren van biggen geeft stress bij de dieren en de ziekteoverdracht neemt toe). Neem bioveiligheidsmaatregelen (inclusief quarantaine van nieuw aangevoerde dieren) om het infectierisico vanuit externe bronnen te verlagen (infectie via de lucht kan tot 5 km overbruggen). Optimaliseer de hokbezetting en zorg voor verbetering van de luchtkwaliteit, zodat de dieren en hun luchtwegen minder aan stress worden blootgesteld.

    Verbetering van de immuniteitsstatus van de populatie
    Vaccinatie is de voorkeursmethode om de immuniteitsstatus van de populatie te verbeteren en is het effectiefst als het wordt afgerond voordat de dieren aan het micro-organisme worden blootgesteld. Vaccinatie is geen effectief middel om M. hyopneumoniae infecties uit te roeien. Voor aanvulling van de populatie moeten dieren worden gebruikt van bedrijven met een soortgelijke of hogere gezondheidsstatus, terwijl een quarantaineperiode moet worden aangehouden.

    Verminderde infectiedruk
    Door een profiel te maken van de aandoeningen op het bedrijf, kan het pad dat de ziekte aflegt en de pathogenen die binnen de populatie circuleren, aan het licht worden gebracht. Op basis van dit profiel kan door toepassing van een combinatie van vaccinatie en strategisch gebruik van antibiotica de infectiedruk op cruciale momenten in de productiecyclus, wanneer de kans op met M. hyopneumoniae geassocieerde aandoeningen het hoogst is, worden verminderd.

    1. Maes D., Segales J., Meyns T., Sibila M., Pieters M., Haesebrouck F. Control of Mycoplasma hyopneumoniae infections in pigs (2008) Veterinary Microbiology, 126 (4), pp. 297-309.
    2. Thacker, E.. Diagnosis of Mycoplasma hyopneumoniae (2004). Animal Health Research Rev. 5, 317–320.
    3. Thacker, E. L., Mycoplasmal diseases. In: Diseases of Swine (9th ed.), B.E. Straw, J.J. Zimmerman, S. D'Allaire and D.J. Taylor, Editors, Blackwell Publishing Ltd., Oxford, UK (2006), pp. 701–717.
    4. Zimmerman, W., Odermatt, W., Tschudi, P.. Enzootische Pneumonie (EP): die Teilsanierung Epreinfizierter Schweinezuchtbetriebe als Alternative zur Totalsanierung (1989). Schweiz. Arch.Tierheilk. 131, 179–191.