Deze website maakt gebruik van cookies om het bezoek aan de website te analyseren en het gebruiksgemak te verhogen. U kan meer lezen over cookies in onze Privacy verklaring.

Belux

PRRS 

Porcine Reproductive and Respiratory Syndrome

Het PRRS-virus heeft zich over praktisch de hele wereld verspreid sinds het eind jaren '80 opdook. Sommige regio's, zoals Australazië en Scandinavië, zijn echter vrij gebleven. Kenmerkend voor endemische gebieden is dat 60–80% van de bedrijven positief is voor PRRSV.

Alles uitvouwen
  • PRRS-virussen maken deel uit van de familie Arteriviridae (RNA-virus). Hun uitgesproken genetische instabiliteit verklaart de variatie in PRRS-virussen en de aandoeningen die deze veroorzaken. Er worden twee groepen stammen erkend: een Amerikaans en een Europees virustype. De primaire infectieroute van ziektevrije bedrijven verloopt via virusdragende varkens of sperma, met lange perioden van viremie en virusuitscheiding via neusuitvloeiing en speeksel (tot 25 dagen) of sperma (tot 90 dagen). Het virus overleeft tot 24 uur in de omgeving onder droge, warme omstandigheden, maar kan over korte afstanden via de lucht worden overgedragen en over langere afstanden via besmette materialen, veewagens en insecten. Het virus kan tot 30 dagen in de omgeving overleven bij temperaturen onder de 4 °C.
    Als het eenmaal het bedrijf is binnengedrongen, kan het virus van varken op varken worden overgedragen door placentaire infectie, inademing van kleine luchtdruppeltjes of ingestie van besmet materiaal. Belangrijke infectieroutes zijn de parenterale inoculatie van huidwondjes, besmette naalden, tandenknippen, staarten couperen en stekende insecten. Gewoonlijk verloopt de infectie op een bedrijf via het verplaatsen van kleine aantallen viremische biggen (van viremische moeders) van de kraamstal naar de stal voor gespeende biggen, met vervolgens horizontale overdracht naar groepsgenoten tijdens de mestfase. Een populatie kan achtereenvolgens of tegelijkertijd geïnfecteerd worden door meerdere PRRS-stammen, en de immuniteit ten opzichte van elke stam kan al dan niet kruisbescherming geven, afhankelijk van de verwantschap van de stammen.

  • De ernst van de klinische verschijnselen is afhankelijk van de virulentie van de betreffende PRRS-virusstam, de erfelijke gevoeligheid van de biggen, de bestaande immuniteit door verwante veld- of vaccinstammen en de aanwezigheid van andere endemische infecties.
    Reproductieproblemen bestaan meestal uit vroeggeboorten (na 100 dagen dracht), waarbij de tomen bestaan uit schijnbaar normale biggen, biggen met een geringe levensvatbaarheid en dode en/of gemummificeerde biggen. Zeugen die in het begin van de dracht geïnfecteerd zijn, kunnen aborteren en onregelmatig terugkomen, maar de meeste verschijnselen doen zich voor in het laatste derde deel van de dracht. Later tijdens de uitbraak zijn de geboren mummies kleiner, doordat ze in een vroeger embryonaal stadium geïnfecteerd zijn. Zeugen kunnen ook agalactie, depressie, koorts en verkleuringen van de huid vertonen en de mortaliteit kan 1–4% bedragen. Beren kunnen tijdens de acute fase lethargie, depressie en een verminderd libido vertonen. Gedurende 2–10 weken na besmetting is de spermakwaliteit verminderd.
    In de periode na het spenen zijn de belangrijkste verschijnselen van een infectie met PRRS-virus een verminderde groei, een variabele groeiachterstand met dunne biggen en/of biggen met een ruig haarkleed, benauwdheid en een verhoogde prevalentie van andere endemische infectieuze aandoeningen die al aanwezig waren in de afdeling, zoals salmonellose, infecties met Haemophilus parasuis (ziekte van Glässer), meningitis of artritis door Streptococcus suis, bacteriële pneumonie en ziekte ten gevolge van het porciene circovirus (PCV). Sectiebevindingen worden vaak vertroebeld door andere endemische infecties, maar bij zuivere PRRS-infecties hebben de longen een bruinkleurig aspect en een rubberachtige weefselstructuur, en zijn niet samengeklapt. Bij histopathologisch onderzoek kan een interstitiële pneumonie worden aangetroffen.

  • Bij verdachte klinische verschijnselen moet worden getracht, PRRS-virus uit laesies aan te tonen. De standaard diagnostische benadering is een PCR op viraal RNA uit vers laesiemateriaal (long- of leverweefsel van verse foetussen of van weinig levensvatbare neonaten, en longweefsel of bloed van gespeende biggen). Virus kan worden gedetecteerd 24 uur tot 25 dagen na besmetting. Het sequencen van het PCR-product is nuttig bij het vaststellen van een nieuwe PRRS-virusinfectie die zich voordoet bovenop een oudere, stabiele, endemische besmetting, veroorzaakt door een eerdere stam. Andere methoden voor het bevestigen van PRRS-virus in laesies zijn immunohistochemie en virusisolatie, maar deze methoden worden in toenemende mate verdrongen door PCR-technieken. Serologische tests om antistoffen tegen PRRS-virus vast te stellen via ELISA zijn een bruikbare methode om de aan- of afwezigheid van een besmetting op niet-gevaccineerde bedrijven vast te stellen. Antistoffen kunnen vanaf 7 dagen na besmetting worden aangetoond.

  • Bij een acute uitbraak bij gespeende biggen kunnen de gevolgen worden beperkt door bij het spenen te vaccineren met levend verzwakt vaccin. De mate van bescherming hangt echter af van de verwantschap van de vaccin- en veldstammen. Inspanningen om de virusoverdracht te reduceren, zoals minder overleggen en een betere hygiëne bij tandenknippen en injecteren, kunnen nuttig blijken. Tot slot is het beheersen van andere aanwezige endemische aandoeningen eveneens belangrijk.
    Is een infectie al endemisch, dan is stabilisatie van de immuniteit van het bedrijf de sleutel tot algehele beheersing en, uiteindelijk, uitroeiing. Een solide immuniteit bij gelten en zeugen (geïnduceerd door vaccinatie of door blootstelling aan de heersende veldstam) beperkt het aantal viremische gespeende biggen dat de mestfase bereikt. Aan de stabilisatie kan worden bijgedragen door tijdelijk geen nieuwe gelten aan te voeren. Verder zijn serologische tests en PCR nuttige methoden om overgebleven viremische of niet-immune gelten en zeugen op te sporen. Hantering van het all-in all-out systeem bij zowel gespeende biggen als in de mestfase kan besmetting voorkomen van de gespeende biggen die nu vrij van besmetting zijn. Indien het all-in all-out systeem niet uitvoerbaar is, moet overwogen worden om de bezetting van de hokken met gespeende biggen te verminderen vanaf het moment dat in de fokzeugen en gelten sprake is van een stabiele immuniteit. Bij het besluit om te proberen de ziekte uit te roeien met behulp van deze methoden moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van herintroductie van de infectie vanuit naburige bedrijven.

  • PRRS-vrije bedrijven bevinden zich meestal in gebieden met een lage varkensdichtheid. Deze bedrijven vergroten de kans om hun vrije status te behouden door alle mogelijke besmettingswegen onder controle te houden. Dit kan door zgn. pre-screening en quarantaine van aangevoerde dieren en gebruik van sperma van erkende PRRS-vrije beren. Bij PRRS-vrije populaties die binnen gehuisvest zijn, wordt in toenemende mate filtratie van de lucht toegepast.

    1. Zimmerman J, Benfield D, Murtaugh M, Osorio F, Stevenson G, Torremorell M. 2006. Porcine Reproductive and Respiratory Syndrome Virus (Porcine Arterivirus). In: Diseases of Swine. Eds, Straw B, Zimmerman JJ, D'Allaire S, and Taylor D. 9th Edn. Blackwell Publishing. Oxford.
    2. Kimman TG, Cornelissen LA, Moormann RJ, Rebel JM, Stockhofe-Zurwieden N. 2009. Challenges for porcine reproductive and respiratory syndrome virus (PRRSV) vaccinology. Vaccine. 27(28): 3704-18. Epub 2009, 3 mei.